Het begin van een modelspoorhobby


Origineel geschreven door L vd Hoeven
Gepubliceerd in Hobby Bulletin, augustus 17e jaargang - 1964
Originele titel: Memoires van een „treintjesgek”

intro

hb64-07-61Wat jaren later vinden we „het jongetje van het Maasstation” terug voor de etalage van een groot speelgoedmagazijn. Het loopt tegen Sinterklaas en het is behoorlijk koud. Maar hij voelt die kou niet, heeft alleen maar aandacht voor het Wonder, dat elektrische trein heet. Op de grote baan daar rijdt zo’n trein in de rondte, stopt soms even, rijdt op een zijspoor terug, stopt weer even en dan, ineens, zonder dat er een mensenhand aan te pas schijnt te komen, rijdt hij weer terug, maar nu met één wagentje minder!

Hij kan er geen genoeg van krijgen en zal zeker niet op tijd met het eten zijn! Op de terugweg slaat hij aan ’t fantaseren: zou hij voor z’n verjaardag zo’n trein durven vragen? Het ding waar hij nu veel mee speelt is vaak stuk. Telkens breekt de veer en dan moet hij wachten tot Vader tijd heeft het ding naar een speelgoedwinkel te brengen om het te laten repareren. En dat duurt dan weer een hele tijd en er moet ook om gedacht worden het locomotief je weer terug te halen. En dan dat opwinden, telkens. Nee, d i t is een wonder! Zo’n trein moest je hebben, dat was het!

Op een middag stapt hij brutaal-weg een winkel binnen en vraagt naar prijzen van zo’n elektrische trein. En schrikt! Want dat valt wel erg tegen. Over zo’n cadeau hoeft hij niet te denken. En hij blijft dan maar spelen met zijn veerwerk-trein. De elektrische trein blijft een droomwens. Een „elektrische” trein, vanzelfsprekend met de geliefde stoomlocomotief als hoofdmotief.

Het jongetje groeide tot man. Hij trouwde en toen bet eerste kindje verwacht werd, zei hij tegen zijn vrouw: „Als het een jongen is, ga ik direct sparen voor een trein. Die dingen zijn erg duur, dus we moeten met sparen maar gauw beginnen.”

Afb. 3. Dit is het origineel van een bekende Marklinloc.

Afb. 3. Dit is het origineel van een bekende Marklinloc.

Maar. . . het was een meisje! Héél lief, maar voorlopig géén trein dus. (Werkelijk, dat was in die tijd zo! Geen vader dacht er zelfs maar over, nu voor zichzelf een elektrische trein te kopen! Zoiets dééd je gewoonweg niet. Je zou voor gek verklaard worden! Natuurlijk zijn er tegenwoordig nog vaders genoeg, die-als ze in een speelgoedwinkel staan, vragen naar een treintje voor hun „kleine jongen”. Maar langzaamaan komt daar toch wel verandering in.)

De jongen werd geboren toen het al een paar maanden oorlog was en ze hadden toen wel wat anders aan hun hoofd dan sparen voor een trein.

Maar nummer drie was weer een jongen! Toch duurde het tot z’n zevende jaar voor er op z’n verjaardag een „ovaaltje” kwam. De belangstelling van deze jongen voor de trein was zéér matig. Hij speelde liever op straat of met vliegtuigen en de oudste jongen had eigenlijk alleen maar belangstelling voor dieren.

Maar Vader én de jongste spruit (van een jaar of drie) waren erg blij met de trein. Al gauw wist het kleine manneke hoe hij aan de transformator moest draaien om het geval in beweging te krijgen. Vader liep alle winkels af op zoek naar prijslijsten, kocht boeken over modelbouw, spaarde voor uitbreidingen, rookte maanden niet om een locomotief je te kunnen kopen.

En de eerste spoorbaan kwam er. Uitneembaar, in twee stukken. Heel lang duurde het soms eer ze konden rijden, want er klopte wel eens iets niet helemaal (beter gezegd: helemaal niet!) met de stekertjes, die de ene helft van de tafel elektrisch met de andere moest verbinden. Al die draadjes ook, ze werden er gek van! En de tafel — als hij dan eenmaal goed en wel stond — was toch een lelijke sta-in-de-weg in de kamer.

Er kwamen natuurlijk zo gauw mogelijk een paar wissels bij. En natuurlijk een station. Een blikken geval, zonder vensters en mooi gelakt. Zou er ergens zo’n station bestaan? Welnee immers. Er moest dus wat anders komen, échter en mét ramen.

Een vriend gaf mij een tekening van een klein, modern station, opgetrokken uit beton. Van triplex werd het gemaakt, maar het was lang geleden, dat ik met een figuurzaag gewerkt had. Het werd in het vrij dikke triplex vaak meer hakken dan zagen. En o, die ramen (toen waren er nog geen Faller-onderdelen). Sponningen en kozijnen vergat ik maar, dat was me toen te ingewikkeld.

Het station kwam eindelijk klaar, maar vraag niet hoé! De betonnen muren imiteerde ik door de wanden in te smeren met lijm waarop „Vim” gestrooid werd. Dat was natuurlijk veel te wit en met plakkaatverf werd er een grijze, enigszins vuile tint aan gegeven. Toch gaf mij het zèlfmaken een grote voldoening, al had ik wel in de gaten, dat het toch nog wel iets anders moest zijn.

Later worstelde ik met een groot stuk celluloid: daar moest een overkapping van komen, die ik doorzichtig wilde hebben, omdat het zonde was van de mooie D-rijtuigen, die — staande in het station — niet zichtbaar zouden zijn.

Afb. 4. De geliefde stoomlocomotief (foto’s van de schrijver)

Afb. 4. De geliefde stoomlocomotief (foto’s van de schrijver)

Dunne repen karton, op het celluloid, geplakt, stelden de sponningen voor. Erg echt was het ding wel niet en het heeft toch nog vrij lang geduurd, voor ik het in elkaar trapte. (Nee, dat is natuurlijk niet waar: ik heb het stuk celluloid natuurlijk niet weggegooid. Ik gebruikte het o.a. voor het dak van een bushalte bij een later gebouwd station, dat wél een echte overkapping kreeg). Een boerderij moest er komen, en die maakte ik van gewone boetseer-klei met lekkere scheve muren (per ongeluk, want er zaten geen verstevigingen in de muren, zodat die een beetje in elkaar zakten). Dat maakte de zaak wel lekker oud. Ramen waren er opgeplakt en het rieten dak was werkelijk net echt.

Ja, hoe maak je nou zo’n rieten dak? Ik knoeide met raffia, sneed dat tot heel fijne reepjes. Een ,monnikenwerk!’

Juist, de dikke laag stroo, waar je tegen aan kijkt als je om de boerderij heen loopt en die aan het huis zo’n „toegedekt” karakter geeft, wilde ik beslist namaken. (Ik sprak over stroo — dat is natuurlijk fout, zo’n boerderij heeft een rieten dak.)

Daar heb ik wel enkele dagen over nagedacht, maar tenslotte vond ik niet eens zo’n gekke oplossing: Eerst maakte ik van hout een dak, dat nèt over de muren paste. Een dikke „koek” van klei werd vervolgens op maat gesneden. Die koek klemde ik tussen twee plankjes. Met een fijne, harde borstel sloeg ik toen tegen de zijkant van de kleikoek, zodat de haren van de borstel heel kleine gaatjes in de klei maakten. Zo kreeg ik aan de zijkant een mooie imitatie van riet. Met dezelfde harde borstel streek ik over de klei (nadat ik de plankjes weggehaald had natuurlijk), en zo ontstond het „riet” in bovenaanzicht. Met wat groene en bruine verf kreeg ik de juiste, bemoste kleur.

Zoetjesaan kreeg ik de smaak van het zelf-maken steeds meer te pakken. Steeds meer ging ik proberen, een bouwsel „oud” te maken, alsof het er al jaren stond. Maar het ging me ook steeds meer ergeren, dat ik telkens de tafel moest afbreken en ergens tegen de muur zetten. Hij paste ook wel precies in de garage, maar dan moesten we de fietsen buiten laten staan.

En toen . . kwam die keer, dat ik weer eens in de kelder moest zijn om kolen te scheppen. In de hoek: het kolenhok en verder: rommel, allemaal rommel. Wat heeft èn bewaart een mens toch een rommel. Heel stil werd het in de kelder na de herrie van het kolenscheppen. Ik stond stil en keek rond. En liep toen héén en wéér tussen alle rommel, van de ene kant van de kelder naar de andere. Grote passen: die is wel zes meter lang, mat ik. Natuurlijk!!! Hier kan die tafel blijven staan!!

Naar boven! Waar is de duimstok?? (Nee, dat is ook niet waar, die had ik toen nog niet. Het moest met de rol-centimeter uit de naaidoos.)

M i s! Teleurstelling! Hoe je ook probeerde: de tafelhelften konden op geen enkele manier door het trapgat! Wat jammer, wat verschrikkelijk jammer! Maar van toen af aan duurde het kolenscheppen wel eens wat langer. Zes meter lang! Wat een ruimte! Wel wat donker. Nou, wat geeft dat? Er kunnen toch lampen bijgemaakt worden?

En dan een berg om die zuil, want die moet weggewerkt worden natuurlijk. En dan daar een station en hier een groot emplacement en daar een berg-baan met een piepklein stationnetje! En dan ineens maar een vaste tafel. In die hoek, naast het kolenhok een werktafel, waar alles heerlijk kan blijven liggen als het eten klaar is of het bed roept.

En langzaam, met tegenzin, droeg ik de kolenkit naar boven en ging (zoals dat dan heet), peinzend bij de gevulde kachel zitten. Niet lang, want ik pakte al gauw potlood en papier. Ging schetsen maken, de één na de ander, wel vijftig vellen vol.

(wordt vervolgd)