De eerste tafelbaan


Origineel geschreven door L vd Hoeven
Gepubliceerd in Hobby Bulletin, december 17e jaargang - 1964
Originele titel: Memoires van een treintjesgek

intro

hb64-07-61(vervolg uit HB aug. ’64)

Later kocht ik hout bij een sloperij. Er was daar kort geleden brand geweest en er stonden veel gedeeltelijk geschroeide platen triplex, die ik voor een krats kon kopen. Ook wat balkjes (voor de tafelpoten) en oud betonhout sleepte ik er vandaan. Maar betonhout schoonmaken is een heidens karwei! Urenlang ben ik er meer zoet geweest, maar toen kon dan eindelijk een begin worden gemaakt met het maken van de tafel. Maar eerst maakte ik op een groot vel tekenpapier het definitieve ontwerp van de baan op schaal 1 : 10, met behulp van het schabloon van Marklin. Dat is op zichzelf al een reuze werk, maar moet toch beslist eerst gedaan worden.

Mijn jongste zoon — een jaar of vier zowat — was niet meer bij me weg te slaan. Vanaf het begin maakte hij de bouw van tafel en baan mee. Was het dus een wonder dat hij later (een jaar of vijf, zes ouder) zo langs z’n neus weg zei: „Vader, je bent toch een sufferd. Je hebt vergeten wissel 36 terug te leggen en nou loopt de Noord-West-Expres het emplacement op. En dat gaat toch niet hè! Morgen op het matje komen bij de grote baas!!”

Maar, laat ik niet op de dingen vooruit lopen! Na verloop van tijd kon ik de eerste rails gaan leggen. De Marklin-rails zijn uitstekend, alleen: wat jammer dat ik niet wat later ben begonnen met de baan! Dan had ik ineens met de puntcontact-rail kunnen beginnen. Maar die waren er toen nog niet. Laat ik niet vergeten te vertellen, dat ik op mijn eerste baan ook nog zelfgelegde rails heb gebruikt en zelfs twee zelfgebouwde wissels! De wisseltongen werden omgelegd door middel van een trekdraad en ze werkten bijna feilloos. Alleen konden ze niet worden opengereden, en dat veroorzaakte wel eens ontsporingen. Doordat er ook Marklin-wissels op die baan lagen (die wèl opengereden kunnen worden) vergaten we wel eens de eigenbouw-wissels in de goede stand te leggen met alle ernstige gevolgen van dien. Helaas waren de eigenbouw-rails en -wissels zó stevig op de oude tafel bevestigd, dat ze er onmogelijk heel waren af te halen. Bij de baan in de kelder heb ik me niet meer aan eigen-bouwrails en wissels gewaagd. Hoofdzakelijk omdat het werk me toch wel te moeilijk was èn omdat ik te ongeduldig ben!

Om terug te komen op de rails. De bedding van de Marklin-rail is heel stevig, maar wel storend b.v. in stations en wanneer er — zoals in het grootbedrijf — op lange trajecten twee banen naast elkaar liggen. Ik wilde dus de ruimte tussen de twee sporen opvullen en daarvoor heeft de modelbouwer een prachtig middel: gemalen kurk. Maar daarvan had ik heel wat nodig en een klein zakje van dat spul kost altijd nog al wat. Ik zocht dus naar wat anders. Maar wat?

Op een dag, ik mag wel zeggen: een zéér goede dag, stond ik te kijken bij de man, die vellen met contributiezegels stond te perforeren met een speciale machine. Juist maakte hij de bak leeg, waarin het afval van de machine terecht komt. „Stop”, riep ik „niet weg gooien!!” De man keek me enigszins verbaasd aan en ik moest hem natuurlijk duidelijk maken, waarvoor ik dat mooie afval dan wel nodig had. Al die honderdduizenden kleine, ronde stukjes papier zouden — geverfd in de roestbruine kleur van het grint — uitstekend dienst kunnen doen op mijn baan. Zo kreeg ik — goedkoop, want voor niets — mijn grint.

Ik mikte een zak vol in een bak, droge poederverf erbij en een fikse scheut terpentine eroverheen. Roeren, laten drogen en klaar is mijn grint! En komt er eens een stukje van dit papieren grint tussen de loc-raderen, dan wordt dat wel fijngemalen zonder schade aan de fijne tandwielen te doen. Soms — om het niet al te eentonig te laten worden — meng ik er wel eens een zakje heel fijn gemalen kurk door en langs de emplacementsporen strooi ik bijna zwart geverfd, heel fijngezeefd zaagsel.

hb64-12dec-64-1Imitatie gras heb ik ook maar een paar keer gekocht, want ik had gauw door, dat dat ook makkelijk zelf te maken is. Ook weer: van zaagsel. De timmerman bij mij in de buurt vindt het best, dat ik dat bij hem weghaal. Door een oude Tomado-zeef, ’n scheut beits (z.g. buitenbeits), goed roeren en laten drogen. Ik gebruik alleen het fijnste, meerdere malen uitgezeefde zaagsel. Een kleinere hoeveelheid verf ik enigszins geel, en dat wordt gemengd door het groene gras, anders wordt het al te groen en te eentonig. Langzamerhand kreeg ik de échte „treintjes-gekken” mentaliteit! Zo ontdekte ik de snoepjespapiertjes! Ideaal te gebruiken als glasgordijnen van miniatuur-huisjes! En waarom zou ik niet echt cement gebruiken als iets van beton moet zijn? Een muur dik met „Cetaflex” insmeren. Niet laten drogen, maar dadelijk bestrooien met cement (wel voorzichting zijn: het spul stuift gemeen, dus eerst oude kranten op de werktafel). Dan laten drogen en het niet vastgeplakte cement eraf schudden. Is het niet dik genoeg? Dan de bswerking herhalen. Dan wordt de muur juist mooi onregelmatig. Tè eentonig van kleur? Voorzichtig met donkere of lichtere verf bijwerken. Het beton gaat er dan mooi „verweerd” uitzien. De verf wel heel dun opbrengen!
Ik wilde op een loods een golf-plaat dak hebben. Als ik spoor 0 zou hebben, zou misschien golfkarton daarvoor te gebruiken zijn. Vooral de fijnere soorten uit bonbon-dozen. Maar, helaas, ik bezit hO, dus dit is te grof. (Ook jammer voor mijn vrouw, vanwege de bonbons).

Er moest dus iets anders op gevonden. Ik bevestigde stukken fietsspaak — ongeveer 10 cm lang — stijf tegen elkaar op een plankje, kocht in een winkel voor etalage-materiaal een soort dun aluminium-folie, knipte hiervan een stuk ter grootte van mijn fietsspakenplankje en bewerkte het eerst met fijn schuurpapier, omdat het aluminium veel te glad en te glimmend is. Later zou de verf er nooit op houden. Terwijl ik dit stukje stevig op het fietsspakenplankje druk, druk ik er met een puntig houtje de groeven in, die tussen de spaken zitten. Nu nog fijn „oud” maken, met verf van een onbestemde kleur Ik ontdekte dat waterverf, verdund met b.v. het afwasmiddel „Mir” aardig houdt op metaal, als dat niet al te glad is. In het water dat gebruikt wordt om de penselen nat te maken, gaat een scheutje „Mir”, even schudden en dan ds natte penseel in het potje verf. Misschien gaat het nog een beetje schuimen, maar in ieder geval houdt de verf op niet al te glad metaal. Waarschijnlijk doordat het (of: de) Mir het oppervlak absoluut ontvet. Maar eigenlijk is het schilderen met „Humbrol”-verf veel fijner. De verf kan uitstekend verdund worden en is zodoende toch wel voordelig. Het beroerde is, dat de verf in de potjes gauw uitdroogt, maar hier helpt het op z’n kop zetten van de busjes, zodat de lucht er niet in kan komen.

Nu ik over penselen en verf praat is het misschien goed, om ook iets te zeggen over het andere gereedschap, vooral voor hen, die nog moeten beginnen met het maken van een spoorbaan.
Het is natuurlijk heerlijk om over een arsenaal van gereedschap te kunnen beschikken. Goed gereedschap is bovendien het halve werk! Laat ik het nu niet hebben over het gereedschap, dat nodig is om de tafel van de baan te maken. Ieder begrijpt, dat het gewone timmergereedschap daarbij onontbeerlijk is.

FOTO’S VAN DE SCHRIJVER

FOTO’S VAN DE SCHRIJVER

Maar wat is er nodig bij het maken van de entourage (of scenery) zoals huizen, fabrieken, stations, loodsen, enz. enz? De MIBA (= miniatuurbaan) bezitter, die het alleen wil doen met modellen van Faller, Wiad, Kibri e.a. heeft het gemakkelijk: Een goede soort lijm is z’n voornaamste gereedschap! Maar pas op! Er zijn soorten, die het plastic aantasten en daarmee moet dus héél voorzichtig gswerkt worden. Het beroerde van tube-lijm is, dat er meer lijm vermorst wordt dan gebruikt! Vooral als de tube een tamelijk grote opening heeft. Is dat gaatje te klein, dan droogt de lijm in die nauwe „hals” snel op en het is dan een hele toer bij volgend gebruik de lijm uit de tube te krijgen. Bij het werken met lijm voel ik altijd sterk de behoefte, om over 4 handen te kunnen beschikken. Die 2 extra, om onmiddellijk na gebruik van de tube deze te kunnen sluiten. (Ik ben namelijk wat dat betreft erg ongeduldig: twee met lijm bestreken vlakken moeten bij mij direct tegen elkaar en direct vast zitten!) Het gebeurt zelden, dat ik de raad van de gebruiksaanwijzing opvolg en éérst de gelijmde vlakken even apart laat drogen. Natuurlijk is die haast wel wat dom en ik probeer soms heus mijn leven te beteren. Meestal zet ik de tube na gebruik even rechtop, dat verhindert het leeglopen.

Behalve de lijm is wèl nodig: een fijn vijltje, om de gietfouten van de plastic artikelen weg te halen. Dat kan soms ook wel met een mes.
Als u dan het Faller-huisje ook nog wil schilderen, moet er natuurlijk verf van Faller (of een ander merk) en een aantal goede penselen worden aangesohaft. In de gebruiksaanwijzingen staat ook meestal wel, hoe de penselen schoongemaakt moeten worden. (Ook dat vergeet ik in m’n ongeduld wel eens en dat voor de penselen niet zo best).
Maar: als u het huis wil schilderen, zet het dan niet eerst in elkaar.
Wacht daarmee. Overleg welke kleur u kozijnen, deuren en muren zult geven.

(Wordt vervolgd)