Van handbediening tot Centrale Verkeersleiding - deel3


Origineel geschreven door ing. D. Uitzinger
Gepubliceerd in Hobby Bulletin, januari 17e jaargang - 1965
Originele titel: Van handbediening tot centrale verkeersleiding
Dit is het vervolg van het artikel 'Van handbediening tot Centrale Verkeersleiding - deel2'.
Afb. 7 EENRIJ1G STELKNOPTOESTEL

Afb. 7 EENRIJ1G
STELKNOPTOESTEL

De mechanische bediening is aan grenzen gebonden. Bij het groter worden van de afstand van het bedieningstoestel tot de wissels en seinen worden de bezwaren, die optreden door de lengteveranderingen, van de trekdraden tengevolge van temperatuur-verschillen, steeds groter en wordt voor de bediening een steeds grotere inspanning van het personeel gevergd. Deze bezwaren werden ondervangen door de bediening over meer seinhuizen te verdelen. Voor het instellen van een rijweg is dan de samenwerking van het personeel in twee of meer seinhuizen nodig. Ieder van hen brengt in zijn „verantwoordelijkheidsgebied” de wissels, enz. in de vereiste stand en geeft daarna, door het bedienen van bloktoestellen, aan het seinhuis dat tenslotte de seinen moet bedienen, de zekerheid, dat voor zijn gedeelte aan alle eisen is voldaan.

Stelknoptoestellen (zie afb. 7)

De voortschrijdende techniek maakte het mogelijk, de mechanische bediening te vervangen door elektrische bediening, met behulp van z.g. stelknoptoestellen. Hierdoor werd het mogelijk de bediening op grotere afstand dan met handkracht te doen geschieden en de bediening meer te centraliseren, waardoor minder seinhuizen nodig waren en een snellere afwikkeling van trein- en rangeerbewegingen werd verkregen.

Afb. 8 - WISSELVELD 1- as 2 - ascontacten voor uitschakelen motorstroom - wisselcontrole magneet 4- controle-contacten 5- kam voor geleide linialen

Afb. 8 - WISSELVELD
1 - as
2 - ascontacten voor uitschakelen motorstroom - wisselcontrole magneet
4 - controle-contacten
5 - kam voor geleide linialen

Afb. 9. - SEINVELD IN TOESTEL 1- as 2 - ascantacten voor inschakelen motorstroom 3- magneten 4 - wisselstraat contacten

Afb. 9. - SEINVELD IN TOESTEL
1 - as
2 - ascantacten voor inschakelen motorstroom
3 - magneten
4 - wisselstraat contacten

Omstreeks 1906 werd in ons land voor het eerst elektrische bediening toegepast. De sein- en wisselhandels zijn hierbij vervangen door stelknoppen, die de contacten bewegen, waardoor de motoren in de sein- en wisselstellers in de gewenste richting draaien (zie afb. 8 en 9).

Fig. 10 - Voorbeeld van de mechanische koppelingen. Assen 1 en 4 zijn van seinknoppen, assen 2 en 3 zijn van wisselknoppen. Boven: alle knoppen in de normale stand. Assen 2. 3 en 4 zijn vrij beweegbaar. Seinknop 1 kan niet naar links of naar rechts worden omgelegd, amdat de liniaal niet naar rechts of links kan bewegen, doordat de hierop bevestigde nokken tegen de assen 2en 3 stuiten. Onder: seinknop 1 is naar links om-geiegd. nadat wisselknop 2 naar links is omgelegd. De liniaal is naar rechts verschoven, waardoor knop 2 in do minstand, knop 3 in de plusstand zijn vastgelegd. Het is tevens onmogelijk knop 4 naar links of rechts om te leggen, waardoor een tegenstrijdige beweging is uitgesloten.

Fig. 10 - Voorbeeld van de mechanische koppelingen. Assen 1 en 4 zijn van seinknoppen, assen 2 en 3 zijn van wisselknoppen.
Boven: alle knoppen in de normale stand. Assen 2. 3 en 4 zijn vrij beweegbaar. Seinknop 1 kan niet naar links of naar rechts worden omgelegd, amdat de liniaal niet naar rechts of links kan bewegen, doordat de hierop bevestigde nokken tegen de assen 2 en 3 stuiten.
Onder: seinknop 1 is naar links om-geiegd. nadat wisselknop 2 naar links is omgelegd. De liniaal is naar rechts verschoven, waardoor knop 2 in do minstand, knop 3 in de plusstand zijn vastgelegd. Het is tevens onmogelijk knop 4 naar links of rechts om te leggen, waardoor een tegenstrijdige beweging is uitgesloten.

Evenals bij de mechanische toestellen is er een mechanisch verband tussen de sein- en wisselknoppen. De knoppen, die buiten het toestel uitsteken, zijn bevestigd aan profielassen, die op onderlinge afstanden van 75 mm in de linialenkast kunnen draaien. Loodrecht op de richting van deze assen zijn boven de assen linialen aangebracht. Wanneer een seinknop wordt omgelegd, wordt een liniaal bewogen en deze sluit — d.m.v. hierop bevestigde nokken — de wisselassen in de vereiste stand, terwijl andere nokken het omleggen van tegenstrijdige sein-knoppen verhinderen (zie fig. 10). De seinknop heeft drie standen:

  1. de middenstand (normale stand), waarbij de door de knop bediende seinen de stand „stop” tonen;
  2. 90° naar links omgelegd, waardoor bijv. sein A uit de stand „stop” wordt gebracht;
  3. 90° naar rechts omgelegd, waardoor bijv. sein B uit de stand „stop” wordt gebracht.

De wisselknop heeft twee standen:

  1. de normale stand, aangeduid als plus-stand, waarbij het wissel de stand inneemt die als normaal is aangenomen;
  2. de omgelegde stand, 90° naar links, aangeduid als de min-stand, waarbij het wissel de andere stand inneemt.

Met een wisselknop kunnen ook twee wissels van een wisselverbinding tezamen worden bediend, mits deze altijd tegelijk de plus- of minstand innemen. Mechanisch verband tussen de stelknoppen en de seinen en wissels ontbreekt. Daarom wordt door middel van magneten, die worden bekrachtigd door controle- en koppelstroom, enz., gecontroleerd of de stand van de stelknoppen overeenstemt met de stand van de inrichtingen buiten (wisselstellers, seinstellers, enz.). Meestal wordt voor de beweging van sein- en wisselmotoren gelijkstroom toegepast, die wordt geleverd door accu-batterijen. Voor de motorstroom ’n spanning van circa 134 V, voor de controle- en koppelstromen kan met 34 V worden volstaan. De motoren zijn gelijkstroom-seriemotoren voor twee draairichtingen, en daartoe voorzien van een dubbele magneetwikkeling. Verschillende stations werden in de loop der jaren met deze toestellen uitgerust. Door het streven naar steeds verder gaande centralisatie, werden de toestellen te groot. Aanvankelijk is bij de NS een oplossing gevonden dit type toestel belangrijk kleiner te bouwen, door twee rijen knoppen boven elkaar aan te brengen, Hiervan werden in 1931 twee stuks in Groningen toegepast, daarna één in Amersfoort en één in Amsterdam.

Afb. 11 - ZEVENRIJIG toestel in Maastricht

Afb. 11 - ZEVENRIJIG
toestel in Maastricht

Daarmede was de ontwikkeling nog niet afgesloten. Door de heer A.G. Bouman, technisch inspecteur Seinwezen, werd een meerrijig toestel ontworpen, waarbij het mogelijk is de knoppen in zeven of meer rijen te plaatsen, in groepen van 56 knoppen. Op 15 maart 1939 is een eerste toestel, voor 168 knoppen, in Maastricht in gebruik genomen. In april 1937 volgde een toestel voor 112 knoppen in Haarlem, daarna nog vijf stuks 5-rijige toestellen in Amsterdam-Watergraafsmeer. Fig. 11 is een schets van het zevenrijig toestel in Maasticht. De bedieningstafel is 270x84x80 cm. Hierop zijn 7 rijen van elk 24 knoppen ondergebracht. De onderlinge afstand van de rijen knoppen is 90 mm. De vloer van de bedieningsruimte wordt gedeeltelijk gevormd door het deksel, dat over de linialenkast is gelegd. Onder de bedieningsruimte ligt de ruimte, waarin alle schakelaars, relais, kabelaansluitingen, enz. zijn opgenomen. Bij het onderhoudswerk, eventuele wijzigingen, enz. wordt het bedieningspersoneel dus niet gehinderd. Afb. 12 geeft een indruk van het toestel in Haarlem. Dat met dit toestel een grote ruimtebesparing werd verkregen is duidelijk. Het toestel in Maastricht, dat nu 2,70 m lang is, zou als éénrijig toestel een lengte van 13,65 meter hebben gekregen.

Afb. 12 - ZEVENRIJIG toestel in Haarlem

Afb. 12 - ZEVENRIJIG toestel in Haarlem

Het afsluitend artikel van deze serie kunt u hier lezen.