De lichtseinen van de Nederlandse Spoorwegen – deel2


Origineel geschreven door een onbekende schrijver
Gepubliceerd in Hobby Bulletin, januari 15e jaargang - 1963
Originele titel: De lichtseinen van de Nederlandse Spoorwegen (2)

In aansluiting op het artikel in het decembernummer, waarin het systeem en de constructie werden behandeld thans tot besluit nog enkele toepassingsvoorbeelden. Deze zouden met andere voorbeelden kunnen worden aangevuld, afhankelijk van het sporenplan en de maximale snelheden, die zijn toegestaan. Wij hebben echter de voorbeelden zo gekozen ,dat de modelbouwer zich van de betekenis van de seinbeelden een goede voorstelling kan maken. Fig. 5 toont de opeenvolgende seinbeelden voor een gedeelte van een dubbelsporig baanvak met automatisch blokstelsel. Hieruit blijkt, dat ieder bloksein tevens voorsein is van het volgende sein. De gemiddelde bloklengte is 1500 m, zodat de treinen elkaar zonder snelheidverminderen eventueel kunnen volgen op een afstand van ruim 3 km.

Fig. 5 - AUTOMATISCH BLOKSTELSEL MET LICHTSEINEN BAANVAK DUBBEL SPOOR TREIN VAN A NAAR B achtereenvolgens in blok tussen: sein 6 en 8; sein 8 en 10; sein 10 en 12.

Fig. 5 - AUTOMATISCH BLOKSTELSEL MET LICHTSEINEN BAANVAK DUBBEL SPOOR TREIN VAN A NAAR B achtereenvolgens in blok tussen: sein 6 en 8; sein 8 en 10; sein 10 en 12.

Van de voor het reizigersvervoer in gebruik zijnde netlengte N.S. is meer dan 35% voorzien van automatisch blokstelsel.
Fig. 6 is een voorbeeld van de seingeving voor een splitsing op een dubbelsporig baanvak met automatisch blokstelsel. De seinen zijn slechts getekend voor de treinbewegingen van A naar B en C. Sein 4 is een bediend sein. De seinbeelden in het sporenplan komen overeen met de toestand, dat sein 4 niet is bediend, de blokken tussen de seinen 2 en 6, 2 en 8 en achter sein 6 en 8 onbezet zijn, en de blokseinen volgend op dc automatische blokseinen 6 en 8 geel of groen vertonen. De seinen 6 en 8 zullen rood tonen als het betreffende daarachter liggende blok bezet is en geel als deze blokken onbezet zijn en het volgend bloksein rood toont. Als sein 4 tijdig voor een trein van A naar B (dus met de wissels in de |-stand) wordt bediend, zal de machinist achtereenvolgens de volgende seinbeelden tegenkomen:

1. met sein 6 rood:
sein 2 groen, sein 4 geel (dus opdracht tot snelheidverminderen tot 30 km/h, om tijdig te stoppen vóór sein 6.

2. met sein 6 groen of geel:
sein 2 en 4 groen.
Voor een trein van A naar C (met wissel 1 in de /-stand komt hij andere seinbeelden tegen, omdat wissel 1 slechts met max. 60 km/h mag worden bereden, en wel:

1. met sein 8 rood:
sein 2 geel met daaronder verlicht cijfer 6 (dus snelheid verminderen tot 60 km/h) en sein 4 geel (snelheidverminderen tot 30 km/h) om tijdig te stoppen vóór sein 8.

2. met sein 8 groen of geel
sein 2 wederom geel met daaronder cijfer 6 en sein 4 flikkerend groen licht met daaronder een 6 (dus voorbijrijden toegestaan met max. 60 km/h.).

Fig. 6 - SPLITSING OP DE VRIJE BAAN DUBBELSP. BAANVAK MET AUTOM. BLOKSTELSEL Sein 4 is een bediend sein. Wissel 1 berijden naar C (+-stand) met max. 60 km/h). a en b zijn minstens 1000m Alleen getekend de seinen voor rijden van A naar B of C. Fig. 6a - Deze beelden wijzigen niet, indien de snelheid voor recht spoor (naar B) een andere is dan 120 km/h. Als b.v. wissel 1 in de +-stand slechts met max. 40 km/h mag worden bereden verandert in sein 2: Geel 6 in Geel 4; verandert in sein 4: Groen flk 6 in Groen flk 4.

Fig. 6 - SPLITSING OP DE VRIJE BAAN DUBBELSP. BAANVAK MET AUTOM. BLOKSTELSEL
Sein 4 is een bediend sein.
Wissel 1 berijden naar C (/-stand) met max. 60 km/h).
a en b zijn minstens 1000m
Alleen getekend de seinen voor rijden van A naar B of C.
Fig. 6a - Deze beelden wijzigen niet, indien de snelheid voor recht spoor (naar B) een andere is dan 120 km/h. Als b.v. wissel 1 in de +-stand slechts met max. 40 km/h mag worden bereden verandert in sein 2: Geel 6 in Geel 4; verandert in sein 4: Groen flk 6 in Groen flk 4.

Onder, in fig 6a, zijn de verschillende seinbeelden aangegeven; de afhankelijkheid van de opeenvolgende seinbeelden d.m.v. de horizontale verbindingslijnen.
Als geen speciale voorziening was getroffen, zou de machinist de hem opgelegde snelheid van 60 km/h niet mogen overschrijden, voordat de trein het eerstvolgende bloksein dat een hogere snelheid toelaat, geheel is voorbij gereden. Als de baanvaksnelheid naar C hoger is dan 60 km/h, hetgeen hier wordt verondersteld, zou dit de rijtijd onnodig verlengen. Daarom wordt voorbij w. 1 een driehoekig groen bord, met de punt omhoog, geplaatst (zie sporenplan).
De machinist mag, als de trein dit sein in zijn geheel is voorbij gereden, de snelheid weer opvoeren tot de baanvaksnelheid, echter met inachtneming van de voor de trein geldende beperkingen. De baanvaksnelheid wordt, behalve als deze 125 km/h bedraagt, op het groene bord aangegeven met een getal, bestaande uit één of meer zwarte cijfers. Deze borden zijn zelf lichtgevend.

De seinbeelden veranderen niet als de snelheid naar B toegestaan een andere is dan 120 km/h. Mag echter wissel 1 in de /-stand b.v. slechts worden bereden met een max. snelheid van 40 km/h, dan verandert in sein 2: geel met daaronder 6 in geel met daaronder 4, in sein 4: flikkerend groen licht met daaronder 6 in flikkerend groen licht met daaronder 4.

Afb. 7 SPLITSING OP DUBBELSP. BAANVAK MET AUTOM. BLOKSTELSEL Afstanden: a minstens 1000 m, afstand b voor beide richtingen, kleiner dan 1000 m doch minstens 250 m. Wissel 1 berijden met max. 30 km/h. Alleen getekend de seinen voor rijden van A naar B of C.

Afb. 7
SPLITSING OP DUBBELSP. BAANVAK MET AUTOM. BLOKSTELSEL
Afstanden: a minstens 1000 m, afstand b voor beide richtingen, kleiner dan 1000 m doch minstens 250 m. Wissel 1 berijden met max. 30 km/h. Alleen getekend de seinen voor rijden van A naar B of C.

Fig. 7 is eveneens een splitsing dubbelspoor met automatisch blokstelsel op de vrije baan. Sein 6 is een bediend sein. Bij dit voorbeeld is echter aangenomen, dat de afstand b — dus tussen de seinen 6 en 8 resp. tussen de seinen 6 en 10 — kleiner is dan 1000 m, echter minstens 250 m is. Bovendien mag wissel 1 in de /-stand slechts bereden worden met Vmax. = 30 km/h. De baanvaksnelheid naar B is 100 km/h, die naar C is 50 km/h.
Als voor een trein van A naar B (dus wissel 1 in de /-stand) sein 6 wordt bediend en sein 8 rood toont, zou, indien de machinist pas bij sein 6 door een geel licht opdracht zou krijgen de snelheid te verminderen tot 30 km/h deze de trein niet voor ’stop’ tonend sein 8 tot stilstand kunnen brengen. De remweg is immers kleiner dan 1000 m. Daarom toont in dit geval — zoals uit het schema van de seinbeelden blijkt — sein 4 geel/geel (twee gele lichten verticaal onder elkaar), waarmede de machinist reeds bij het naderen van sein 4 opdracht krijgt de snelheid te verminderen tot de halve dienstregelingssnelheid en te rekenen op voortzetten remmen bij het volgend sein. De halve dienstregelingssnelheid kan bij een normale remming na ¾ van de remweg zijn bereikt, sein 6 toont geel en nu is de afstand van minstens 250 m tussen de seinen 6 en 8 voldoende om voor ’stop’ tonend sein te stoppen. De remweg is o.a. afhankelijk van het kwadraat van de snelheid, de snelheid is vóór sein 6 tot de helft teruggebracht en de remweg dus tot één-vierde.

In geval sein 8 rood toont zou men kunnen volstaan met het tonen van één geel licht, zowel in sein 6 als in sein 4, maar dan zou voor treinen met een dienstregelingssnelheid hoger dan 60 km/h de rijtijd van sein 4 tot sein 8 worden verlengd. Door het toepassen van het sein-beeld geel/geel is een snellere treinop-volging mogelijk.

In geval sein 8 geel of groen toont, tonen de seinen 4 en 6 eveneens groen.

Voor een trein van A naar C (dus met wissel 1 in de /-stand) zijn andere seinbeelden nodig in verband met de snelheid van max. 30 km/h, die dan voor het berijden van wissel 1 is voorgeschreven.
Als sein 10 rood toont, tonen na bedienen van sein 6 de seinen 4 en 6 beide geel. Uit het voorgaande is het duidelijk dat sein 4 in dit geval niet geel/geel mag tonen, omdat dan door treinen met een dienstregelingssnelheid boven 60 km/h wissel 1 te snel zou worden bereden. Daarom krijgt de machinist reeds bij sein 4 opdracht de snelheid tot 30 km/h te verminderen. Toont sein 10 geel of groen, dan toont sein 6 flikkerend groen licht (voorbijrijden met lage snelheid toegestaan) en toont sein 4 geel met daaronder een verlicht cijfer 3 (snelheid verminderen tot 30 km/h).

Fig. 8 is een voorbeeld voor de seingeving op een station B, waarbij alleen de seinen voor aankomst van A, voor doorrijden van A naar C en voor vertrek naar C zijn getekend. Verder geldt het volgende:

  • Over spoor I is doorrijden toegestaan
    — Vmax = 100 km/h.
  • Over spoor II is doorrijden toegestaan
    — Vmax = 70 km/h.
  • Over spoor III is doorrijden niet toegestaan
    — Vmax — 30 km/h.
  • Alle sporen en wissels zijn geïsoleerd, excl. spoor 3.
  • De wissels 2 en 5 mogen in de /-stand worden bereden met Vmax = 70 km/h.
  • De wissels 3 en 4 mogen in de /-stand worden bereden met Vmax = 30 km/h.
  • De seinen 4, 16, 18 en 20 zijn bediende seinen. Ze tonen in de normale stand rood licht en gelden zowel voor trein- als rangeerbewegingen. Sein 834 is een automatisch bloksein.

hb63-01jan-6

Wanneer sein 4, 16, 18 of 20 wordt bediend, d.w.z. uit de stand „stop” wordt gebracht, bestaat de zekerheid dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan, als onderstaand voor de resp. seinbeelden is aangegeven:

a. Als het sein een hoog- of laaggeplaatst snel flikkerend geel licht toont:

  1. Er zijn geen strijdige rijwegen ingesteld.
  2. De wissels (eventueel bruggen, stop-ontspoorinrichtingen enz.) zijn in de juiste stand vastgelegd en worden in deze stand vastgehouden tot de trein of het rangeerdeel deze punten is gepasseerd.

Opm.: bij het seinbeeld geel 180 wordt niet gegarandeerd dat de rijweg vrij is, m.a.w.:

  • het spoor kan bezet zijn.
  • Het spoor is niet geïsoleerd (spoor 3).

Omdat rangeerbewegingen naar bezet spoor mogelijk moeten zijn, kunnen de seinen 4 en 16 t/m 20 dus alle geel 180 tonen. Op de schets van de seinbeelden is alleen de samenhang tussen de te tonen seinbeelden voor treinbewegingen aangegeven.

b. Als het sein een hoog- of laaggeplaatst geel licht toont:

  1. Er zijn geen strijdige rijwegen ingesteld.
  2. De wissels (eventueel bruggen, stop-ontspoorinrichtingen enz.) zijn in de juiste stand vastgelegd en worden in deze stand vastgehouden tot de trein of het rangeerdeel deze punten is gepasseerd.
  3. De rijweg is vrij en onbelemmerd.

c. Als de trein een hoog- of laaggeplaatst groen licht of een hooggeplaatst flikkerend groen licht met daaronder het verlicht cijfer 7 toont:

  1. Er zijn geen strijdige rijwegen ingesteld.
  2. De wissels (eventueel bruggen, stop-ontspoorinrichtingen, enz.) zijn in de juiste stand vastgelegd en worden in deze stand vastgehouden tot de trein of het rangeerdeel deze punten is gepasseerd.
  3. De rijweg is vrij en onbelemmerd.
  4. Het volgend sein toont minstens geel.

Laten wij nu aan de hand van het voorafgaande eens de samenhang tussen de verschillende seinbeelden op fig. 8 bezien, waarbij is aangenomen, dat alle sporen vanaf sein 2 t/m het blok achter automatisch bloksein 834 vrij en onbelemmerd zijn, dan kunnen de volgende seinbeelden worden getoond:

Aankomst van A op spoor I — sein 4 bediend:
Sein 16 rood, sein 4 geel, sein 2 groen.

Doorrijden van A naar C over spoor I — sein 4 en 6 bediend:
Sein 834 geel of groen, sein 16 groen, sein 2 en 4 groen.

Aankomst van A op spoor II — sein 4 bediend:
Sein 18 rood, sein 4 geel, sein 2 geel met verlicht cijfer 7.

Doorrijden van A naar C over spoor II — sein 4 en 18 bediend:
Sein 834 geel of groen, sein 18 flikkerend groen licht met daaronder verlicht cijfer 7, sein 4 flikkerend groen licht met daaronder verlicht cijfer 7 en sein 2 geel licht met daaronder verlicht cijfer 7.

Aankomst van A op spoor 3 — sein 4 bediend:
Sein 20 rood, sein 4 snel flikkerend geel licht (gl 180) en sein 2 geel licht.

Vertrek naar S van spoor 3 — sein 20 bediend:
Sein 834 geel of groen, sein 20 laaggeplaatst groen licht.